Beste Lezers,

Hieronder zijn fragmenten van mijn verhalen te lezen. Om niet overvallen te worden door zaken waar jullie mogelijk gevoelig voor zijn, wil ik jullie ervan op de hoogte stellen dat er in mijn verhalen elementen van fysiek, seksueel en psychologisch geweld voorkomen, soms komt hier ook bloed bij kijken of andere lichaamssappen. Daarnaast zijn mijn verhalen fictie waar soms historische gegevens in verweven zijn. Dat laatste doe ik vooral omdat ik Nederland ook een land wil maken waar het fantastische mag leven. Dit heeft als gevolg dat historische figuren soms dingen doen die ze in werkelijkheid niet hebben gedaan en zelfs nooit zouden doen. Geloof in het algemeen neemt ook een plaats in mijn verhalen in en de geestelijken en goden die mijn verhalen bevolken zijn niet allemaal goed. Dit geldt ook voor de personages die in de verhalen leven. Zij hebben hun goede en slechte kanten, ze bevragen de wereld en hebben hun filosofische overpeinzingen. Hoewel mijn personages soms uitgesproken meningen hebben, zijn deze niet per definitie mijn eigen overtuigingen. Fictie laat ruimte voor perspectieven die niet de mijne zijn en juist het onderzoek naar die perspectieven is wat literatuur zo interessant en waardevol voor mij maakt.

Ik wens jullie veel leesplezier!

Liefs,

Marleen

 

N.B. De tekst van Fluisterende Werelden is nog steeds in ontwikkeling, dus het kan zijn dat de uiteindelijke versie anders is.

Lees de eerste hoofdstukken van Fluisterende Werelden

Kasdanië 02Q455 Proloog

 

‘Het is een eer en een verrekte vloek om de poort van het leven te zijn!’ Lume ontspant een moment en luistert ingespannen, maar er komt geen geluid van het pasgeboren kind. Ze richt zich op en kijkt. Daar ligt een meisje. De donkere haartjes plakken tegen het hoofdje en het kind kijkt haar recht aan.

‘Een strijder, net als je vader’, zegt ze. Met een ferme beweging snijdt ze de navelstreng door en pakt het kleintje op. Verbeeldt ze het zich of kijken die grote groene ogen haar verwijtend aan? Ze heeft slechts een vermoeden van wat er op de kleine schouders rust. Voorzichtig neemt ze het kind in haar armen en fluistert:

‘Voorlopig blijf je bij mij. Ik zal je koesteren en altijd van je houden, ook als je denkt dat het niet zo is.'

1 Kasdanië en Nederland 02Q467

 

Ravos slikt moeizaam. Hij balt en ontspant zijn klamme handen. Stil staan zijn mannen achter hem, strak in het gelid. Hij overziet de strook land die hem scheidt van het bos. De lucht erboven zindert van de spanning. De hele wereld houdt zijn adem in.

Hij herinnert zich de bewondering nog toen hij voor het eerst een bewegende boom zag. Zijn kinderogen hadden zich wijd opengesperd. Vanaf dat moment waren bomen wachters geweest die letterlijk langs zijn levenspad waren opgedoken en had hij zich geborgen gevoeld. Nog kan hij het ruisen van de duizenden bladeren en het vegen van de tere wortels over de grond horen. Of is het de herinnering aan het recente overleg?

Met moeite onderdrukt hij de neiging om met zijn voeten te schuifelen. Hij overweegt zijn opties nog een keer. Praten heeft hij al geprobeerd, hoewel hij dat het liefst weer zou doen. Zijn vraag of de bomen op een ander stuk land rond konden trekken, stuitte op weerstand. Hij legde uit dat het graafschap landbouwgrond nodig heeft en de stad wil uitbreiden, zonder hun bomen te kappen.

‘Ik heb vreedzame bedoelingen en ik wil geen geweld tegen jullie gebruiken,’ had hij gezegd. Zijn argumenten hadden totaal geen indruk gemaakt. Dat verbaasde hem. De bomen zijn geweldloos, tenzij ze worden aangevallen. En dat is precies wat hij nu op het punt staat te gaan doen.

De woordvoerder van de bewegende bomen zei rustig: ‘Jij bent niet de enige met deze vraag. Onze zaden hebben goede grond en rust nodig om uit te groeien tot zaailingen en jonge boompjes die sterk genoeg zijn om mee te lopen. Zulke plekken zijn zeldzaam geworden. Onze populatie krimpt, terwijl die van jullie mensen groeit, net als jullie behoeftes.’

Ravos had een steek van schuld gevoeld en begrip, maar het niet uitgesproken. In plaats daarvan had hij gezegd: ‘Er zijn graafschappen genoeg die jullie om die gunst kunnen vragen. Hier ben je aan het verkeerde adres.’ En dat was dat geweest.

De boom had gedecideerd zijn takken gebogen en was weg geschuifeld. De afkeuring was net zo voelbaar geweest als zijn frustratie voor de boom moet zijn geweest. Afkeuring. Heeft hij in zijn leven ooit iets anders gekregen? Hij knarst met zijn tanden. Als zijn vader vertrouwen in hem zou hebben en het graafschap aan hem zou overdragen, dan had hij hier nu niet gestaan.

Waarom ziet zijn vader niet dat zaken ook anders opgelost kunnen worden? Geweld, overheersing en bezit bepalen niet of je een goed heerser bent. Ravos is ervan overtuigd dat hij verder komt met rechtvaardigheid, veiligheid en wijs beheer. Zijn vader keurt dergelijke gedachten af. Eist van hem dat hij zich als een man gedraagt.

Dat doet hij nu. Gewapend en wel, met zijn mannen achter zich en de wezens die hij stilletjes bewondert tegenover zich. Hij heeft het verdomme geprobeerd.

Zijn blik dwaalt richting de bomen in de verte. Zijn hart gaat te keer alsof hij heeft hardgelopen. Hij probeert iets op te vangen van de intenties van het bos. Er komt niets dan stille, afwachtende roerloosheid. Zelfs de boompriesters zijn nergens te zien.

Hij spreekt zichzelf toe, beheerst het trillen van zijn handen. Zelfverzekerd moet hij de hoorn heffen om het signaal van de aanval te geven. Bevend ademt hij in. Hij zal zijn vader iets laten zien. Hij zal de hele wereld iets laten zien. Resoluut sluit zijn hand zich om de hoorn, hij steekt hem en blaast krachtig. Als uit één mond wordt de roep van de hoorn overgenomen. Brullend stormen de mannen achter hem aan naar het bos dat nog steeds roerloos voor hen staat. Er is geen weg terug.

‘Wees onvoorspelbaar,’ spreekt Ravos zichzelf toe terwijl hij met de snelste mannen vooruit rent. Het grasveld onder zijn voeten is verraderlijk hobbelig. Hij breekt door de bosjes die de rand van het bos markeren en rent tussen de eerste bomen door. Takken haken naar hem, halen als knuppels uit naar zijn hoofd. Vervloekte bomen! Waarom kunnen het geen gewone bomen zijn, die stilstaan en zich laten omhakken, zodat hij ze rustig in planken kan zagen! Een bosuil vliegt met een kwade schreeuw op.

Zijn training bij de Grodanii komt hem goed van pas. Door zijn beproevingen daar heeft hij een scherp zintuig ontwikkeld voor gevaar. Er nadert van achteren een boomtak. Hij haalt er woest naar uit, duikt weg voor een tweede neerdalende tak en draait meteen de andere kant op.

‘Wees onvoorspelbaar,’ herhaalt hij de woorden die zo vaak tegen hem zijn gezegd. Hij moet op zijn instinct vertrouwen. Niets mag verraden wat zijn volgende beweging zal zijn, zijn geest moet zo stil mogelijk zijn. Toch lijken de bomen te weten wat zijn volgende beweging is.

Rauwe kreten klinken achter hem op. Zijn mannen hebben de rand van het bos bereikt. Hij hoort het hakken van scherp metaal in levend hout. De zoete en soms scherpe lucht van vers boomsap dringt zijn neus binnen. Bomenbloed. Het is net zo verontrustend als de ijzeren geur van mensenbloed. Spaanders vliegen in het rond. IJzige kreten vertellen hem wanneer mannen gewond raken.

Hij meent Varnir te herkennen als die hem met geheven zwaard inhaalt. De bomen reageren. Ravos haalt adem om te schreeuwen dat hij moet uitkijken, maar voor hij de woorden kan vormen, krijgt Varnir een klap op zijn hoofd. Het geluid van brekend bot vult Ravos met afschuw. Iets warms spat in zijn gezicht en loopt langs zijn wang en nek zijn wapenrusting in. Hij weigert zich te bedenken wat het is. In het voorbij rennen ziet hij nog net hoe Varnir in elkaar zakt. Het laat hem niet onbewogen en voor een moment is Ravos afgeleid.  Precies een moment te lang. Een dikke tak slaat hard tegen zijn linkerschouder. Verlammende pijn schiet door zijn arm. Hij wil hem schudden om de pijn te verdrijven. IJskoude angst vlamt op. Zijn arm reageert niet.

‘Laat nooit zien dat je zwak bent,’ klinkt de stem van zijn leermeester, de oude Procath, in zijn hoofd. Dus verbergt hij zijn ontzetting en zet hij vastbesloten zijn drieste tocht voort, dieper het bos in.

Voorzichtig probeert hij zijn linkerarm weer te bewegen. Het is pijnlijk, maar de verlamming is eruit. Een zucht van opluchting ontsnapt hem. Hij kan verder, hij moet verder. Door, door, door.

Hij heeft geen idee hoe lang hij zich wegduikend en rennend een weg door het bos heeft gebaand, als de bomen ineens wijken. Struikelend komt hij op een open plek tot stilstand. Zodra hij een voet in de ruimte zet, verdwijnt het geluid van de veldslag achter hem. Een eerbiedige stilte vult deze plek en ook de gedachten in Ravos’ hoofd worden stil. In het midden van de kring van bomen staat een stralende, majestueuze boom. Zijn takken reiken tot in de hemel. Heldere draden vullen de lucht en voegen zich samen tot een zuil van licht diep in de pulserende stam. De energie vertakt zich en stroomt van de wortels naar de wortels van de bomen om hem heen. In een moment, dat zich tot een eeuwigheid lijkt uit te rekken, verliest Ravos zich in het schouwspel voor hem. Hier ziet hij waar hij alleen maar over heeft horen praten; hoe het Mycelium alles wat op aarde leeft met hemels licht verbindt. Hij is er getuige van, maakt er deel van uit. Voor zijn ogen ontspruiten generaties bladeren, groeien, sterven af en dwarrelen neer, waarna ze worden opgenomen in het geheel. De tijd en de wereld om hem heen bestaan niet meer.

Hij is alleen met De Boom der Bomen, het bewegende woud en wil hier alleen nog maar blijven. Het doel dat hem hier bracht deugt niet. Zal hij de aanval afblazen?

Hij schudt zijn hoofd woest heen en weer, vermant zichzelf. De gedachte aan zijn vader laat hem zijn rug rechten. Hij ademt in en concentreert zich.

De stralende stam van de boom lijkt doorzichtig. Onder de bast lopen banen als bloed van de takken en de wortels naar een punt in het midden van de stam, het centrum, het hart. De knokkels van de hand waarmee hij de koperen dolk omklemt, worden wit.

De Boom der Bomen staat voor een oud en inmiddels afgeschreven wereldbeeld. Oude volkeren hadden natuurgoden, maar hij weet beter. De mens heeft niet voor niets zijn verstand en dat zal hij gebruiken. Soms moet het oude voor het nieuwe wijken. Dat houdt hij zich voor ten minste.

Vastberaden loopt hij naar voren en stoot de koperen dolk diep in de stam. Een scherpe pijn schiet door het gevest zijn hand en zijn lichaam in. Verblindend licht vult de hemel en explodeert in zijn hoofd, waar de stilte wordt doorbroken door het geluid van duizenden krijsende stemmen. Hij brult met ze mee. Pijn verscheurt hem, trekt woest aan zijn wezen. Tranen branden in zijn ogen. Zijn ademhaling is gejaagd.

Hij zou zich klein willen maken en willen verstoppen. Hij heeft zichzelf losgesneden van de bron en niet alleen zichzelf, maar de hele wereld. Eenzaamheid overvalt hem, maakt hem aan het wankelen. Eenzaamheid die zich als een schokgolf over de wereld verplaatst, tegen de grenzen knalt en er doorheen breekt.

Hij stort woonkamers in. Ook in Nederland waar Godelieve en haar ouders op de bank televisie zitten te kijken.

De presidenten van Rusland en Amerika hebben net hun handtekening geplaatst onder een samenwerkingsverdrag. Dan staan hun adviseurs als een man op om hen iets in het oor te fluisteren. Ze luisteren ontstemd, terwijl ze elkaars hand nog vasthouden. De glimlach die op hun gezicht staat, glijdt weg als koude regen tegen het raam. Hun ogen schieten vuur.

‘Wat heeft dit te betekenen?’ sist Reynolds, die langzaam rood aanloopt.

‘Dat vraag ik me ook af,’ zegt Kuznesov zacht. Hun handdruk is veranderd in een krachtmeting.

‘Dat,’ zegt Kuznesov, de vinger van zijn vrije hand priemt naar de overeenkomst, ‘is voorlopig van de baan.’

Godelieve spert haar ogen open. Wat gebeurt hier? Wat gaat er mis? Dit kan niet zo, dit moet doorgaan! Ze wil tegen ze schreeuwen dat ze moeten blijven geloven in wat ze zojuist nog wilden beginnen. Stille tranen biggelen over haar wangen. Ineens lijkt de wereld zo onherbergzaam. Ze werpt een blik op haar ouders die verstijfd en met stomheid geslagen op de bank zitten. Ze springt op en rent naar boven. Haar kamerdeur knalt dicht.

De schokgolf raakt ook Audra. De bladeren van de bomen gaan ruisend te keer alsof er een storm is opgestoken, alleen voelt ze geen wind. Wel een ijskoude rilling die uit het niets over haar rug trekt.

Onzeker kijkt ze naar Hadewich. Ziet ze een vlaag van afwijzing in de ogen van haar vriendin? Het is weg voor ze het vast kan stellen.

Iets hards en kouds tikt tegen haar borstbeen. Haar blik richt zich op het vreemde ding. Ongelovig neemt ze het in haar hand. Haar vingers vinden steen. Het is het blad. Alle warmte is eruit weggetrokken. Zolang ze zich kan herinneren hangt het om haar nek, aan een donker koord van gevlochten haar. Ze wist zeker dat het van haar moeder was. Als ze bang was of onzeker sloeg ze er haar hand omheen. Warm en levend lag het al die jaren tegen haar huid. Haar verbinding met haar ouders, die haar ooit te vondeling hadden gelegd, maar via het blad toch bij haar waren. Ze was er zeker van geweest dat ze ergens op haar wachtten, dat ze ze ooit zou vinden.

Ze wendt haar hoofd af, zodat Hadewich niet kan zien dat haar ogen vochtig worden, haar lippen beginnen te trillen. Ze is er zeker van. Haar ouders zijn nergens. Ze wilden haar niet en zullen haar nooit willen. Niemand wil haar. Ze is alleen.

 

In het woud staart Ravos naar De Boom der Bomen. Het licht in de wereld is flets en koud geworden en in de stam verzwakt het ziender ogen. Het gebrul in zijn hoofd golft tegen zijn schedel en berooft hem van elke zinnige gedachte. Het zweet staat niet meer alleen in zijn handen, maar overal. Het is nog niet voorbij, hij moet nog iets. Blijf ademhalen, denk na. De snee begint zich langzaam te sluiten.

Ravos dwingt zijn pijnlijke hand de dolk los te laten. Zijn vingers strekken zich uit, grijpen het hart en trekken het uit de stam. Lauw boomsap druipt als bloed langs zijn hand en onderarm. Zijn maag draait zich om. Het geluid in zijn hoofd explodeert.

Daar staat hij, in het centrum van de gebeurtenissen, stil, met het bloedende hart in zijn handen. Hij staart ernaar terwijl het langzaam afkoelt en gelijk met het tot barnsteen stollen van het bloed, neemt het gebrul van de wereld in volume af.

Verbaasd kijkt Ravos naar de grillige rode steen die in zijn hand ligt. Is het hem hier werkelijk om te doen geweest?

Om hem heen is het weer stil. Doodstil. Te stil. Hij beseft dat de eerdere stilte vol leven was en deze stilte is leeg, zo leeg. Geen blad beweegt. Alle bomen zijn verstard. De euforie die hij zich bij de overwinning had voorgesteld blijft uit. Hij is enkel vervuld van een groot verlies.

De Boom der Bomen heeft alle glans verloren. Uit een gat in de stam druppelt gestaag vocht  langs de bast naar beneden. Een bibberende zucht glijdt over zijn lippen. Het is tijd om naar zijn mannen terug te keren. Opgelucht dat hij deze plek kan verlaten, draait hij zich om. Middenin zijn beweging verstart hij.

Laag over de grond rolt een grijsgroene mist de open plek op. Slierten maken zich los, kringelen op, rekken zich uit en dringen het gat in de stam van De Boom der Bomen binnen.

Ravos rilt. Melodieus geneurie als van een gebed weerklinkt en hij voelt meer dan hij ziet, dat De Boom der Bomen, als een koning, gebalsemd wordt. Hij is getuige van een heilig ritueel, dat alleen al door zijn aanwezigheid onteerd zou moeten worden. Maar het was zijn goed recht. Toch?

‘Wie niet luisteren wil, moet voelen,’ zei zijn vader als hij zijn riem losknoopte en Ravos trillend van angst en woede met ontblote billen voor hem stond. Hij voelde de verzengende klap al voor de riem hem raakte. Hij gaf geen kik, net zoals hij zijn woorden inhield bij de talloze verwijten die zijn vader hem maakte, dat hij nooit iets zou betekenen. Ravos beseft dat de gedachte dat hij niets zou betekenen hem niet zoveel deed, maar dat de pijn zit in het feit dat hij nooit iets voor zijn vader zou betekenen. Daar heeft hij vandaag verandering in gebracht.

2 Kasdanië 02Q467

 

Sluiers groene mist golven om zijn voeten, maar hebben een allesbehalve balsemende werking op hem. Ze krullen zich om zijn enkels en zijn nek. Hij kan geen stap meer verzetten. Haat vervult hem en tot zijn ontzetting komt die niet van de boompriesters. Het borrelt in hem omhoog en vult zijn hele wezen. Zelfhaat. Hij bezwijkt bijna aan de intensiteit ervan. De sliert die hem bij zijn nek heeft, houdt hem overeind.

Flarden kruipen langs zijn armen naar de steen die in zijn handen ligt. Ze dringen naar binnen en verdwijnen erin alsof ze nooit hebben bestaan. Dan trekt de mist zich terug en laat hem wankelend op zijn benen achter.

Een licht beweegt door het stille bos zijn kant op. De gestalte die het draagt komt dichterbij en als hij uit de laatste bomenrij stapt, herkent hij hem: Septos, de hogepriester van de Almachtige Een. Als Septos de open plek heeft bereikt, gaat hij recht voor Ravos staan. Zijn minachtende blik raakt Ravos als een klap in zijn gezicht.

‘Ik moet je danken, broeder Ravos. Je hebt de wereld een grote dienst bewezen door het hart van De Boom der Bomen te bemachtigen.’

Wees onvoorspelbaar. Wist Septos waar hij was en wat hij aan het doen was? Er is hem iets ontgaan, maar hij krijgt de tijd niet om erover na te denken, want Septos strekt zijn hand uit en pakt de steen uit zijn hand. Ravos wil protesteren, maar hij kan zich niet bewegen. Iets heeft hem in zijn greep. Deze keer zijn het de boompriesters niet. Septos grijnst tevreden. Ravos vernauwt zijn ogen tot spleetjes.

‘Ik ga dit dragen, zodat iedereen ziet dat ik De Boom der Bomen heb overwonnen.’ Septos zegt het meer tegen zichzelf dan tegen Ravos, terwijl hij de steen kritisch bekijkt.

Ravos maakt een gesmoord geluid. Een akelige glans verschijnt in de ogen van de hogepriester als hij zijn felle blik weer op hem richt en doorgaat alsof ze daadwerkelijk een gesprek voeren.

‘Niemand heeft ooit invloed op de boompriesters kunnen uitoefenen, maar iets zegt me dat dit daar verandering in kan brengen.’ Hij kijkt keurend naar de steen. ‘Ik heb het hart van hun god in mijn handen.’ Bij die laatste woorden brengt hij zijn gezicht met opengesperde ogen vlak voor dat van Ravos. Hij grinnikt om Ravos’ verwarring en stapt weer naar achteren.

Hij gooit de steen op, alsof het een bal is en vangt hem nonchalant weer op. Septos’ zelfgenoegzame grijns verdiept zich. Ravos zou er alles voor willen geven om die van zijn smoel te slaan.

Dit gaat gevolgen krijgen die hij niet heeft voorzien en waar hij niet achter staat. Hij was voor zijn eigen veiligheid blij geweest met de wetenschap dat de boompriesters niet tot haatdragendheid in staat waren, nu betreurt hij dat. Zij hebben de kracht om Septos te stoppen en ze zijn zo dichtbij. Waarom grijpen ze zelfs nu niet in?

Kronkelende groene slierten verstrengelen zich rond Septos en proberen contact met hem te maken. Ravos hoopt met heel zijn hart dat het hen lukt en Septos net als hij in de spiegel van zijn ziel zal kijken, overvallen zal worden door een nog heviger zelfhaat dan hij heeft gevoeld. De slierten ketsen af tegen de trillende lucht rondom Septos. Ravos verbleekt. De hogepriester gebruikt magie. Waarom verbaast hem dat niet? Septos lijkt Ravos’ gedachten te hebben gevolgd.

‘Nee, Ravos. Ze zullen mij niet zo snel te pakken krijgen. Ik ben hier goed voorbereid gekomen. Niet alleen heb ik jouw gangen geobserveerd, zodat ik op het juiste moment ter plaatse kon zijn om De Bloedsteen van jou over te nemen.’

De woorden raken Ravos als een klap van zijn vaders riem. Hij heeft gefaald.

‘Ook heb ik de gebruiken van de boompriesters bestudeerd. Die zwakkelingen geloven in verbinding en liefde,’ hij spuugt het woord uit alsof het iets smerigs is.

‘Zij hadden er beter aan gedaan zich te verdiepen in wat vijandigheid betekent en in het werk dat de Almachtige Een kan verrichten. Groot is hij die de wereld zijn wil kan opleggen en zijn mindere tot knielen kan dwingen.’

Bij die woorden kruipt er een rilling over Ravos’ rug. Septos laat een pauze vallen en boort zijn blik in die van Ravos. Zacht en kil zegt hij: ‘Dus kniel voor mij, Ravos.’

De kracht die hem vasthoudt, dwingt Ravos op zijn knieën. Hij verzet zich, maar zonder resultaat. Zijn binnenste verkrampt. De woorden die Septos daarna spreekt, zijn amper meer dan een koude luchtstroom langs zijn huid.

‘Ik zou willen dat je kon zien wat ik ga doen, als dank dat je me zo goed geholpen hebt.’

De roofdierachtige glimlach van Septos komt dichterbij, wanneer hij zich vooroverbuigt en zijn lippen op Ravos’ voorhoofd drukt.

Alles in Ravos komt in opstand. Hij is razend. Hij zou willen schreeuwen en vechten. Hij is verdomme van adel, een aanvoerder, opgeleid door de beste krijgers van de wereld! In de handen van Septos is hij zwakker dan een baby.

Wat een kus leek, wordt een sterke zuigende kracht. Zijn hele huid lijkt in brand te staan. Zijn levensenergie scheurt los van zijn gestalte, knappend als te strak gespannen snaren. Botten lijken te versplinteren als Septos de energie uit zijn merg zuigt. Tergend langzaam.

Zijn ontzette blik, die op Septos is gericht, keert zich naar binnen. Zijn wezen klauwt naar houvast. Druppel voor druppel verliest hij wat altijd van hem is geweest. Het gat naar niets meer zijn, opent zich voor hem, bereid hem in zijn oneindige diepte op te nemen. Maar hij wil niet dat het zo eindigt. Vlak voor hij de diepte in tuimelt, grijpt een groene draad hem. Dan houdt het zuigen op.

Vol walging kijkt hij naar het slappe leeggezogen lichaam dat als een vod op het mos ligt. Een zwarte plek prijkt op het voorhoofd. Dan dringt het tot hem door dat hij naar zichzelf kijkt. Zijn hoofd dat ooit vol gedachten was, is leeg en zijn hart dat vol vertrouwen was, is stil. Mocht iemand dit ding in dit vervloekte bos vinden, dan zullen ze denken dat hij dood is, maar niets is minder waar. Zijn lichaam is dood, maar hij zit opgesloten in een verre uithoek van Septos’ geest. Ravos heeft niet eens meer de beschikking over de energie om zich lamlendig te voelen.

Ravos krijgt opnieuw een schok. Hij hoort de gedachten van de hogepriester alsof het zijn eigen gedachten zijn, vervuld van zelfvertrouwen en trots. Dat er extase door diens aderen stroomt, is weerzinwekkend. Hoe het kan, weet hij niet, maar hij weet dat hij die extase heeft veroorzaakt. Als hij nog een maag had gehad, had hij nu beslist overgegeven.

 

Tijdens het drinken heeft Septos zijn schild laten zakken. Ravos kon toch niets meer doen. Overweldigende liefde overspoelt hem en borrelt in hem op, zoals altijd als hij energie nuttigt. Puur leven vult zijn hele wezen, al die plaatsen in hem waar het normaal grijs en somber is. Een tijd lang ziet hij de wereld anders, mooier. De bomen om hem heen geven licht, elk blaadje aan hun stille takken schittert. Alleen De Boom der Bomen wordt door een ziekelijk mat grijs omgeven.

Het zinderende vuur in zijn aderen doet hem zwalken. Hij moet liggen, even rusten op het mos. Nagenieten van de schokken van extase die nog steeds door zijn lichaam golven. Hij is groter dan de wereld. Wat heeft hij hiernaar verlangd! Hij strekt zich uit en sluit zijn ogen.

 

Op de plek waar Ravos zich ophoudt verschijnt groen licht, als zonlicht dat door lente bladeren valt. De energie van de boompriesters dringt stilletjes de geest van Septos binnen en kruipt naar Ravos toe, bestudeert hem, ziet zijn spijt en zijn onvermogen. Een vriendelijk geneurie weerklinkt. Voor Ravos ogen ontstaan veilige muren in de duistere vesting dat het hoofd van Septos is. Rust vult Ravos.

 

Na een half uur staat Septos op en zwalkt weg van de open plek, het bos uit. Achter de rug van Septos maakt zich de gestalte van een boompriester los vanachter een boom. Hij loopt naar De Boom der Bomen en raapt de koperen dolk op van het mos, waarna hij hem in zijn riem steekt.

Een bruine kat met bladgroene ogen heeft elke beweging gevolgd. Ze verwijdert zich van de open plek. De kussentjes van haar poten maken geen geluid op de zachte kussentjes van het mos.

3

 

Lume knielt bij de stille Boom der Bomen. Ze raakt een wortel aan en maakt contact met de zwakke, sluimerende energie van de boom. Het beeld van hoe Ravos een half jaar geleden het hart uit de boom sneed en alle bewegende bomen verstarden, staat in haar geheugen gegrift. De pijn die haar toen overviel, was onbeschrijflijk geweest en groter dan een mens kan bevatten, door de onderlinge verbondenheid van alle boompriesters.

Ze wilden de geest van de boom niet helemaal laten sterven. Het was in een wanhopige reflex geweest. Ze waren tot het uiterste gegaan. Elke druppel energie en al haar wilskracht stopte ze in de heilige woorden die een deel van de geest van de boom bonden aan deze plek. Haar keel was droog en rauw. Elk woord was als vuur over haar tong gegaan. Vuur van hartstocht en verlangen om te bewaren wat niet helemaal verloren mocht gaan.

Het was hun gelukt de zwakke verbinding te behouden en veilig te stellen, zodat het als een zaadje kon wachten op de juiste omstandigheden om te ontkiemen. Of ze daadwerkelijk iets goeds mee hebben gedaan, vraagt Lume zich soms af. Misschien hebben ze alleen valse hoop gecreëerd. Het doet er niet toe. Gedane zaken nemen geen keer.

Nog voelt ze de bron waar ze uit putte, die groter was dan zijzelf en toch haar eigen bron. Ze gaf alles van zichzelf totdat ze haar bewustzijn verloor. Dagen dwaalde ze rond in vijandig duister, dat zich met haar diepste angsten versmolt. Angsten waar ze nog steeds niet over wil praten, over het leven van haar dochter en het verlies van het Mycelium. Ze trekken als ijzige stroompjes langs haar ruggengraat. De venijnige weerhaken hebben haar huid nog niet verlaten.

 Het zaadje van hoop is het allemaal waard geweest. Daar klampt ze zich aan vast. Het contact met de boom is er nog, zij het heel subtiel en vervuld van een intense treurigheid.

 

De regen van de afgelopen dagen heeft een kleine plas tussen de wortels van de boom gevormd. Lume buigt zich eroverheen. Ze doopt haar vingers in het water en raakt het punt tussen haar ogen boven haar neus aan. Haar wezen breidt zich uit buiten haar lichaam, vult de avondlucht onder de boom en op de open plek. Ze staart naar het gladde wateroppervlak en concentreert zich op haar dochter Audra.

‘Vind terug wat is verloren,’ fluistert ze zachtjes voor zich uit.

 

Ze had het kind liefdevol met moedermelk gevoed en gekoesterd tot het vast voedsel begon te verdragen. In een maanloze nacht wikkelde ze de kleine Audra in een wollen deken en liet ze haar achter bij de stam van de Gouden Sikkels, samen met het grootste deel van haar hart. Ten afscheid had Lume Audra een ketting omgehangen: een streng van haar lange zwarte haar met een levend blaadje dat ze van De Boom der Bomen had gekregen eraan. Ze gaf het slapende kind een kus op het kleine voorhoofdje en verdween in de nacht zoals ze gekomen was, ongezien.

 

Ze richt haar blik weer op het water tussen de wortels. De sterren weerspiegelen zich in het gladde wateroppervlak. Een aantal sterren lichten in een cirkel op en groeit uit tot een kring van toortsen waaromheen zich mensen hebben verzameld. Lume verplaatst haar geest en staat onzichtbaar tussen hen in. Binnen de lichtkring staan twee meisjes tegenover elkaar. Ze hebben hun bovenlichamen lichtjes naar voren gebogen en kijken elkaar geconcentreerd in de ogen. De meisjes beginnen om elkaar heen te cirkelen. Ze verbreken het oogcontact niet. Het haar van het ene meisje kleurt rossig in het toortslicht. De ander heeft haar donkere haar in een strakke vlecht samengebonden, het is Audra.

Het meisje met het rode haar haalt als eerste uit en richt direct op het gezicht van Audra, die geen moment aarzelt. Ze pareert de slag behendig met haar linkerarm en plant haar rechtervuist in de maag van haar tegenstander. Een mengeling van afkeer en trots vult Lume. Ze houdt niet van geweld, maar haar besluit om Audra bij de stam van de Gouden Sikkels achter te laten was noodzakelijk geweest.

 Audra gebruikt de vaart van haar stomp en maakt een draai op haar rechterbeen. Ze heft haar linkerbeen op in een achterwaartse beweging en laat die met kracht op de schouders van haar dubbelgevouwen tegenstander neerkomen. Die trekt haar hoofd in en zet zich met beide benen af. Ze maakt een koprol naar voren en staat in een vloeiende beweging weer op haar voeten. Haar ogen flikkeren gevaarlijk en haar tanden ontbloten zich. Ze springt op en plant haar voet in de buik van Audra, die tijdens haar val op haar rug het been van het meisje stevig vastpakt en meetrekt. Haar tegenstander raakt uit evenwicht en klapt met haar rug op de grond. De lucht wordt uit haar longen geslagen. Audra maakt van dat moment gebruik door opzij te rollen en haar knieën op de bovenarmen van het meisje te drukken. Het meisje worstelt om onder haar knieën uit te komen. Audra lijkt onbewogen naar het meisje te kijken, maar iets in haar gezicht vertelt iets anders. Drie lange tellen zit Audra zo.

Een stok slaat tegen een andere stok en het gevecht is voorbij. Audra staat op en reikt het meisje met het rode haar de hand. Ze glimlachen naar elkaar en lopen samen het strijdperk af.

Het beeld in het water vervaagt. Lume heeft pijn in haar buik, alsof zij een trap in haar maag heeft gekregen. Stil loopt ze naar haar slaapplaats.

 

4

 

Audra verlaat met Hadewich de cirkel van toortsen. Onrust spant haar spieren zachtjes aan. Ze had verwacht dat ze nu opgelucht zou zijn. Dit was immers de laatste keer dat ze zich moest bewijzen. Een zware zucht ontsnapt haar.

Nana heeft haar verteld dat de Gouden Sikkels haar negeerden toen ze haar ontdekten. Dat was het gebruik. Ze hadden haar een dag laten liggen, maar ze had geen kik gegeven ondanks de honger, de kou van de ochtend, de hitte van het middaguur en haar eigen vuiligheid. Dit was opmerkelijk en volgens de Gouden Sikkels een teken dat ze sterk genoeg was van lichaam en geest om een van hen te worden.

Wat haar extra bijzonder had gemaakt was dat ze de leider van de stam strak had aangekeken als hij in de buurt was. Aan het eind van de dag besloot hij dat ze bij de stam mocht blijven en werd ze naar Nana gebracht. De verlatenheid van die dag plakt nog steeds aan haar huid.

Nana had haar gewassen en haar gevoed met brij. Sinds die dag was ze als een moeder voor haar geweest en had ze haar zo goed als ze kon een thuis gegeven.

Toch blijft er een stemmetje in Audra’s hoofd dat keer op keer herhaalt dat ze eigenlijk ergens anders hoort te zijn. Soms kan ze hem naar de achtergrond verdringen, vooral als ze samen met Hadewich op pad is, maar de laatste tijd lukt dat steeds minder goed.

Vandaag heeft ze het gevecht gewonnen. Ze weet bijna zeker dat Hadewich het haar gemakkelijk heeft gemaakt en haar heeft laten winnen, hoewel ze het anders deed overkomen.

 Veel komt anders over. Als kind was ze er heilig van overtuigd dat de bomen zo hun eigen gedachten hadden wanneer ze onder ze doorliep, nu lijken ze stil en terughoudend. Het gebed dat ze spreekt wanneer ze een konijn voor voedsel doodt en bedankt voor zijn leven, lijkt niet meer gehoord te worden. Het zal de leeftijd wel zijn en te maken hebben met het volwassen worden. Of houdt ze zichzelf voor de gek?

Hadewich onderbreekt haar gedachten en slaat een arm om haar schouder. ‘Het was een goed gevecht,’ zegt ze, terwijl ze in het voorbijgaan iemand groet.

Audra knikt, maar de vriendelijke woorden laten het nare gevoel niet verdwijnen. Nu de opwinding van het gevecht uit haar lichaam wegebt, beginnen de plekken waar Hadewich haar heeft geraakt te kloppen en pijn te doen. Ze moet toegeven dat Hadewich op zijn minst haar best heeft gedaan om het een gevecht te laten lijken.

Ze voegen zich bij de jonge mensen die in de orde van de Gouden Sikkels worden opgenomen. Als vanzelf vormen ze een cirkel op de centrale ruimte tussen de hutten. Een stilte daalt neer. Behalve hen is er niemand van de stam. Iedereen heeft zich teruggetrokken in zijn hut. Dit is een nacht waarop alleen de uitverkorenen, die iets met de inwijding te maken hebben, buiten mogen zijn.

De kleine nederzetting lijkt verlaten op de spanning na, die tussen de hutten en de onrustige jonge mensen in de kring rondwaart.

Audra denkt aan hoe ze zelf stil in de hut heeft gezeten, klaar om elk geluid dat van buiten kwam op te vangen dat haar iets kon vertellen over het verloop van een inwijding. Ze was zich al snel gaan vervelen en in slaap gevallen, zelfs vorig jaar toen ze wist dat het de komende keer haar beurt kon zijn.

Van ergens tussen de hutten klinkt de regelmatige slag op een trommel, die vanuit verschillende richtingen wordt beantwoord. Ze komen naar de open plek. De slag is rustig, maar wordt allengs sneller tot hij zich samenvoegt met haar gejaagde hartslag.

De trommelaars vormen een cirkel om hen heen. Het dreunen resoneert in haar borstkas. In haar maagstreek fladdert iets rond, zoals altijd wanneer ze iets spannend vindt. Met een laatste harde slag, stopt het ritme.

De gestalte van de Geestenspreker is in het midden van de open plek verschenen, alsof de lucht zich daar verdicht heeft en zijn vorm heeft aangenomen. Ze rilt. De Geestenspreker wenkt de trommelaars en haalt een kruik onder zijn mantel vandaan.  Ze knielen rondom de Geestenspreker en heffen een zwart aardewerk kommetje omhoog terwijl ze hun hoofden buigen. Iets in Audra wil zich verzetten bij die nederigheid. Ze onderdrukt het gevoel en kijkt tot hoe de Geestenspreker zorgvuldig een paar slokken van de drank uit zijn kruik in elk kommetje giet. Met een rustig gebaar bergt hij de kruik op en richt zich tot hen. Hij spreekt niet hard, maar zijn stem rijkt tot in het kleinste hoekje van de centrale ruimte.

‘Moge het vuur van De Gouden Sikkels in jullie branden. Moge het vuur tot zinderende hoogte worden aangewakkerd als De Gouden Sikkels worden aangevallen. Moge het vuur je verbranden als je De Gouden Sikkels onwaardig bent.’

Bij de laatste zin richt de Geestenspreker zijn blik op Audra.

‘Dat De Gouden Sikkels voor eeuwig mogen schijnen, zo helpe hen de Almachtige Een,’ klinkt het antwoord als uit een mond.

De trommelaars staan op en lopen ieder naar een uitverkorene. Hun in doeken gehulde gezichten zijn onherkenbaar. De man die naar Audra toe loopt is lang en beweegt zich soepel. Ze vermoedt dat het Rasjna is en haar huid begint te prikken. Haar benen willen het op een lopen zetten, maar hij zal haar toch niets doen op dit belangrijke moment? Niet met zoveel omstanders. Ze probeert rustig adem te halen.

Haar instinct heeft haar niet bedrogen. Het is Rasjna. De bekende haat brandt in zijn ogen, een koele glinstering tussen de lappen, maar dat is niet alles. Ze zou bijna denken dat er voldoening in zijn ogen ligt. Dat verontrust haar. Ze twijfelt of ze het goed gezien heeft, maar heeft geen tijd om er verder over na te denken. Hij torent boven haar uit als hij haar het kommetje aanbiedt.

‘Drink de drank van de moed, die door onze aderen vloeit. Drink uit de bron van De Gouden Sikkels, de bron van de Almachtige Een. Deze bloedband is bindend.’ De stem van de Geestenspreker vult de open plek en haar hoofd.

Audra heeft anderen horen fluisteren dat ze het kommetje in een keer moet leegdrinken, omdat de smaak onaangenaam is. Ze legt haar hoofd in haar nek en giet het kommetje resoluut leeg in haar mond. De vloeistof is inderdaad bitter en brandt in haar keel. Audra klemt haar lippen op elkaar en slikt.

Haar benen worden slap. Ze gaat zitten, net als de anderen. Rasjna gaat achter haar zitten om haar te ondersteunen. De contouren van de wereld, zoals ze die kent, beginnen te vervagen. De kale aangestampte aarde van het plein en de paden licht roodachtig op. Ze steekt haar hand ernaar uit en haalt haar tintelende vingers onderzoekend door het oppervlak.

De mensen die zich op de open plek bevinden zijn lichtende gestaltes geworden, doorlatend en ongrijpbaar. Ze hebben verschillende kleuren. De bomen lichten groen op. Hun stralende gestaltes zijn groter dan normaal. Ze zijn van een ontroerende schoonheid. Audra is diep geraakt.

Rasjna begint te spreken. Zijn woorden komen als een weerzinwekkende grijze stroom uit zijn mond. Ze contrasteren met de schoonheid om haar heen. Zijn zinnen wikkelen dof grauwe draden om haar lichaam. De uitverkorenen om haar heen worden in de prachtigste, stralende kleuren gewikkeld door de woorden die hun begeleiders spreken. Mantels van liefde omhullen hen.

Waarom ziet niemand wat er met haar gebeurt? Zou het iemand opvallen? Zien zij de wereld überhaupt zoals zij hem op dit moment ervaart? Haar geest werkt koortsachtig.

Ze moet zich verzetten. Niets heeft haar voorbereid op wat haar nu overkomt. Ze moet de aandacht op zich zien te vestigen. Ze zal het ritueel verstoren, maar het moet. Ze probeert te gillen. Er komt enkel een zwak geraspt uit haar keel dat abrupt afbreekt als een andere stroom grijze draden haar aanraakt en zich ook om haar heen wikkelt.

Ze volgt de stroom. Hij komt vanuit de Geestenspreker naar haar toe gekronkeld. De man zit in het midden van de cirkel in diepe concentratie te prevelen. Elke vezel in haar lijf wil bij Rasjna vandaan, weg van deze plek, maar de drank heeft haar verlamd en ze kan niet anders dan tegen hem aan blijven zitten.

‘De anderen horen nu naar de stemmen van onze voorvaderen die tegen hen spreken. Jij bent een gezichtsloze en daar willen ze niet tegen spreken, want, jij bedreigt de zuiverheid van ons volk. Wij zijn van de bloedlijn van Kasnir de Grote. Hij kreeg de Gouden Sikkel van de Almachtige Een zelf. Wij zijn het uitverkoren volk dat grootse daden kan verrichten, gemachtigd om de wereld te overheersen. Wij hebben de hogepriester Septos voortgebracht.’ Onverholen trots kleurt Rasjna’s stem.

Audra herinnert zich een bezoek van de hogepriester. Toen hij aankwam had hij niet zo indrukwekkend geleken, gewoon een man als elke andere man.

Hij onderscheidde zich door zijn kleding. Het zwarte onderkleed was van een soepele stof gemaakt, die Audra nog nooit had gezien. Over zijn schouders hing een rode mantel met in gouden stiksels een lange brede streep erop. Aan de randen van de mantel waren zwarte symbolen geborduurd. Ze zeiden haar niets, maar leken een wervelende donkere energie te bevatten.

Die avond hadden ze het erevuur op de centrale plaats aangestoken. Ze zoog haar adem in toen ze de gestalte van Septos ontwaarde die aan de rand van de vuurgloed stond. Hij leek groter dan die middag en toen hij de lichtkring instapte was hij een enorme man. Zijn glimmende hoofd was bedekt met een dunne gouden band.

Audra keek van een afstandje toe en zag hoe de zwarte figuren op zijn mantel kolkten en uitrekten. Gestaag vormden ze een dunne kring van kleine symbolen om hen heen. Niemand merkte het op. Koud zweet liep over haar rug en haar nekharen stonden overeind. Ze was weggelopen voor de symbolen haar konden bereiken. Het was een wakende nachtmerrie.

De stem van Rasjna haalt haar met een ruk terug naar het hier en nu, haar slappe benen op de harde aarde en haar rug tegen zijn gespierde borst.

‘Septos is de rechterhand van Akdanir. Een zuivere Gouden Sikkel. Jouw vriendschap met wie dan ook hier, besmet onze samenleving.’

Een moment denkt Audra aan Hadewich. Heeft zij haar besmet? Haar ogen zoeken haar vriendin. De kleuren die Hadewich omhullen zijn niet zo stralend als die van de anderen. Is dat haar schuld? Als ze had geweten welke verderfelijke invloed ze op Hadewich had, was ze bij haar weggegaan.

De cocon van zijn woorden en het gemompel van de Geestenspreker om haar heen wordt steeds verstikkender.

‘Je bent als de boktor in de tempel van de Almachtige Een. Bardog is een zwakkeling. Hij had je moeten laten creperen toen je hier te vondeling was gelegd. Wat een zegen zou dat zijn geweest. Je eigen ouders zagen je niet eens zitten.’ Hij zwijgt even en vervolgt nadenkend: ‘Dat moeilijk voor je zijn geweest.’

De laatste zinnen treffen doel, hoe het voorgaande haar ook geraakt heeft, ze vallen in het niet bij wat hij uiteindelijk zei. Naast de pijn is er verwarring. Heeft Rasjna werkelijk begrip voor haar? Dat is een nieuwe gedachte. Misschien had hij wel gelijk en was het een stommiteit geweest van De Gouden Sikkels om haar op te nemen.

 

Rasjna is euforisch. Hier zit hij, met Audra in zijn armen. Niemand heeft in de gaten welk venijn hij via haar oren in haar geest giet en welk gif hij via haar keel in haar aderen heeft gegoten. Het had hem moeite gekost om niet te gretig te reageren toen er gevraagd werd wie de begeleider van Audra wilde zijn. Hij had enige aarzeling voorgewend, wat hem tot een overtuigende kandidaat had gemaakt. Hij had de afgelopen jaren niet onder stoelen of banken gestoken dat hij zijn twijfels over haar had, maar hij had de raad met vaste stem toegesproken:

‘Natuurlijk kun je twijfelen aan de waardigheid van haar voorouders, die kennen we immers niet. Jullie weten allemaal dat ik het zelf lang niet eens ben geweest met het besluit van Bardog om haar op te nemen in de stam. Niemand kan echter twijfelen aan haar loyaliteit en de verve waarmee ze tot nu toe alle tests heeft doorstaan. Hiermee heeft ze zelfs aan mij bewezen dat ze een Gouden Sikkel is.’

Hij had zichzelf gedwongen om devoot te kijken bij het uitspreken van deze woorden. Tot zijn tevredenheid knikten zijn toehoorders bedachtzaam. Audra werd hem toegezegd.

In het holst van de nacht ging hij op zoek naar bilzekruid. Hij brouwde er een dodelijk mengsel van en deed zoveel als hij kon in het zwarte kommetje. De Geestenspreker stond aan zijn kant, van hem vreesde hij niets toen hij het omhooghield en Audra aanreikte.

 

Haar lichaam is zo zwaar. Ze kan hier tot het eind der tijden blijven liggen. Al haar zenuwen worden alert als het scherp van een sikkel op haar keel wordt gezet. Dit is een belangrijk onderdeel van de inwijding. Haar stamgenoten dragen het litteken, het teken van de stam, met trots.

Haar ademhaling versnelt als haar huid eerst mee rekt met de beweging van het staal dat over haar hals wordt gehaald. Dan biedt haar huid weerstand en opent het vlees zich met een korte, scherpe pijn. De sikkel dringt binnen. Warm bloed stroomt van haar hals naar haar sleutelbeen waarna het zich kriebelend een weg over haar borst zoekt.

Energie stroomt uit haar weg. Energie die ze nodig heeft om zich tegen de grauwe cocon te verzetten, zich vast te houden aan de wereld. Alles in haar schreeuwt dat er iets niet klopt.

Ze probeert zich door de mist te worstelen die bezitneemt van haar geest. Wat ze ook doet, ze kan niet voorkomen dat ze wegglijdt in het donker dat het einde van alles zal zijn.

 

Na een tijd van totale stilte dringen vreemde beelden haar hoofd binnen. Ze zweeft op een plek waar overal eindeloos veel grauwe hutten zijn. Er wonen wezens in. Allemaal alleen. Niets hier is haar vertrouwd. Nergens een spoor van aarde of planten, laat staan bomen. De gebouwen strekken zich uit in een hemelsblauw. Ze beweegt ertussendoor, omhoog. Boven haar zweeft een doorzichtige bol, waarvan zwarte draden lopen, die zich naar haar uitstrekken, haar vastgrijpen en haar naar de bol toe trekken. Verwoed probeert ze zich te bevrijden, maar ze wordt de bol ingetrokken waarin een langgerekte gestalte staat. Hij zegt niets. Zijn blik boort zich in de hare. Hartslagen lang. Ze heeft geen idee wie of wat ze tegenover zich heeft, maar het is vijandig en sterk. Als een jong reekalf houdt ze alles in zichzelf zo stil mogelijk. Haar gedachten, haar hartslag, haar ademhaling. Ze wil niets weggeven aan dit wezen. De mondhoeken van de man krullen langzaam op alsof hij wil glimlachen en schieten dan door in een verachtelijke grijns.

De slierten slingeren haar ruw weg. Ze tuimelt een donkere tunnel in. Laat de wereld stoppen met draaien! Ik ben al zo misselijk, denkt Audra.

Met een klap belandt ze op houten planken. Als ze haar hoofd draait, wordt een hekwerk zichtbaar, dat rijk versierd is met houtsnijwerk. Daarachter is een ruimte.  Ze ligt ver boven de stenen vloer van het gebouw op een smalle plankenvloer. Door de spleten gluurt ze naar beneden. Onder haar buigt een grote kale man met een gouden band om zijn hoofd zich over een andere man, die geknield op de vloer zit en kust zijn voorhoofd. De knielende man begint te verschrompelen als een rijpe bes die je leegzuigt. Audra onderdrukt een kreet en de neiging om te braken. De gil en het afgrijzen van het slachtoffer vullen haar zo intens dat haar innerlijke kreet zich bij de zijne voegt. Even is ze in hem, dichtbij de adamsappel, die vlak voor haar ogen beweegt bij elke gulzige teug die de man van haar drinkt. Haar haat vloeit mee met de energie die de man meedogenloos tot de laatste druppel uit haar trekt.

Een vrouw met donker haar en een vriendelijke en bezorgde blik in haar ogen buigt zich over haar heen. Bij haar zou ze zich veilig kunnen voelen. Haar stem klinkt warm maar dringend.

‘Vlucht, Audra. Vind je bestemming, die ligt niet langer hier. Vind terug wat is verloren.’

 

 

Fragment uit De Rentmeester

De Rentmeester

 

1777 Kloosterzande

De wind komt door de nacht over het verdronken land van Saeftinghe aangestormd. Andreas luistert naar de geluiden die van buiten komen. Hij wacht op Margje, die er met dit hondenweer op uit moest om te assisteren bij een bevalling. Zijn zorgen om haar, daarbuiten in die wilde nacht, nemen toe met de kracht van de wind, ook al weet hij dat Margje voor de duvel niet bang is.

Margje kan tegen de wind leunen. Met moeite loopt ze er recht tegenin. De bevalling was zwaar, maar moeder en kind liggen nu tevreden en warm in bed. Ze verlangt ernaar om thuis te zijn en uit te rusten. De wind snijdt haar de adem af en slaat natte strengen haar in Margjes gezicht. Haar rokken plakken aan haar benen door de regen en het tegen de Zeedijk opspattende water. Het hoge gras op de velden buigt. De wind fluit en huilt door de takken van de bomen. Plotseling hoort ze door het gebulder van de storm een heel ander geluid. Voetstappen. Achter haar. Ze komen dichterbij. Als ze vlak achter haar zijn, draait ze zich om. Ze verstijft. Wie ze ook had verwacht, hem niet. Daar staat Bornes. Zijn hond Ossaert staat naast hem en kijkt haar met gloeiende, rode ogen aan. Margje staat als aan de grond genageld. Ze had niet voor mogelijk gehouden hen ooit te zien. Kinderen worden bang gemaakt met verhalen over hen. Ze heeft ze altijd voor bakerpraatjes gehouden. Bornes grijnst spottend en spert zijn mond open, verder en verder. Hij stoot een akelig hol gelach uit. In een opwelling slaat Margje een kruis. Ze draait zich om en zet het op een lopen. De holle lach waait op de wind naar haar toe. Haar rokken blijven haken. Ze kijkt over haar schouder. Het is Ossaert die er zijn tanden even in zet. Margje rent zo hard ze kan de Kruisdorpsedijk op, met Ossaert die naar haar kuiten hapt op haar hielen en de lach van Bornes in haar oren. Ze bereikt de oude wegwijzer en merkt dat Ossaert verdwenen is. Bornes is ook verdwenen, maar zijn gelach klinkt na in haar hoofd. Margje blijft rennen, tot ze thuis is. Ze smijt de deur dicht, schuift de grendels ervoor en blijft er tegenaan staan, alsof haar tengere lijf het gevaar van buiten kan tegen houden. Ze begint te huilen en glijdt langs het hout naar beneden.

Andreas kijkt verschrikt op en rent naar haar toe. Eindelijk is ze thuis. Als hij naar haar lijkbleke gezicht kijkt, vraagt hij zich af of er tijdens de bevalling iets vreselijk mis is gegaan. Zo heeft hij haar nog nooit gezien.

‘Wat is er met jou aan de hand?’

Margje kan geen zinnig woord uitbrengen. Snikkend en trillend zit ze tegen de deur op de grond. Andreas kan niets beters verzinnen, gaat naast haar op de grond zitten en slaat een arm om haar heen. Het duurt een tijdje voor ze wat kalmeert. Ze vertelt met horten en stoten wat haar is overkomen. Andreas luistert met stijgende verbazing naar haar. Hij heeft Margje niet leren kennen als een bijgelovige vrouw. Ze is nuchter. Hij weet niet wat hij van haar verhaal moet denken.

‘Trek je natte kleren uit,’ zegt hij dan resoluut. ‘Ik zal de tobbe met warm water vullen en een kop kamillethee voor je maken.’ Hij is blij dat hij de waterketel al een tijd boven het vuur heeft hangen. Margje kijkt hem dankbaar aan. Ze is even stil en zegt dan: ‘Vergeet het verhaal. Ik weet niet wat er in me gevaren is.’ Ze staart een tijdje voor zich uit. Hij giet het hete water in de tobbe.

‘Het leek zo echt, maar het kan niet waar zijn,’ mompelt ze voor zich uit als ze haar kleren uittrekt en in het warme water stapt.